In mijn werk heeft het begrip verbinding altijd centraal gestaan, verbinding met je zelf en verbinding met de ander. Enerzijds hebben we behoefte aan autonomie waardoor er ruimte voor eigenheid, verbinding met jezelf ontstaat en anderzijds de behoefte aan verbinding met anderen en aan ‘er bij horen’. Die twee basisbehoeften staan soms op gespannen voet met elkaar en vrijwel alle problemen waarvoor mensen naar mijn praktijk komen hebben te maken met het schuren van de ene behoefte met de andere.

Ons (zoogdieren-)brein is volledig ingericht op verbinding. Als we geboren worden is dat brein weliswaar niet uitontwikkeld, maar alles is aangemaakt voor de rijping ervan. De interactie van een baby met haar omgeving is alles wat daarvoor nodig is. Positieve interactie, d.w.z. interactie waardoor in de behoeften van een baby wordt voorzien zorgt voor ander uitgerijpt zenuwstelsel dan interactie waardoor de behoeften worden genegeerd of afgekeurd. Dit gegeven staat aan de basis van de ontwikkeling van trauma’s waarmee we allemaal in zekere mate te maken hebben en waardoor sommigen hun leven lang zwaar gehinderd worden.

Steeds meer begint het mij duidelijk te worden dat er in ons dagelijks leven veel meer om ons heen is waarmee we al dan niet verbinding kunnen voelen. Ik denk als eerste aan de natuur. Bijna iedereen knapt op van in de natuur zijn, buiten zijn, wandelen, fietsen, hardlopen, roeien, alleen of samen. Onder de lezers waarvoor ik deze column schrijf zullen er veel vrouwen zijn die dat herkennen, althans dat is mijn idee van vrouwelijke Wageningse Ingenieurs. Er is tegenwoordig een beweging in de gezondheidszorg die heet ‘natuur op recept’. Mijn persoonlijke ervaring is dat bewegen in de buitenlucht helpt de verbinding met mezelf te ervaren. Ik voel me er vitaler en congruenter door en het helpt me beslissingen nemen.

Bij inheemse volkeren is verbinding met de natuur cruciaal voor hun overleving. Ik hoorde in een tv-serie van Bruce Parry een inheemse bewoner van de Amazone zeggen: ‘Als het bos gelukkig is zijn de mensen ook gelukkig’. Daarnaast is het voor hen belangrijk om verbinding met voorouders in stand te houden en zelf een goede voorouder te zijn voor de generaties na ons. Ze leven in het bewustzijn van de diepte van de tijd.

Zo’n manier van leven waarbij we ons voortdurend bewust zijn van onze natuurlijke omgeving in de breedte en van toekomst/verleden in de diepte geeft als vanzelf een inbedding in het leven die wij helemaal niet kennen. In die manier van leven zijn we onderdeel van een zich constant veranderend levend weefsel. Op het eiland Sumba keek een bewoner Bruce Parry vol medeleven aan toen hij vertelde dat hij nauwelijks weet wie zijn voorouders zijn. Hij vergeleek hem met een ‘pinda zonder schil’.

Ik moet onmiddellijk denken aan de psychische problematiek in de Westerse wereld. Waar zoveel mensen een diagnose hebben kun je je de vraag kunt stellen of onze samenleving als geheel gezond is. Ik denk dat het gebrek aan verbinding met onszelf, met anderen, met de natuur, met ons verleden en onze toekomst ziekmakend is. Zolang we die band niet voelen, in ere herstellen en vanuit dat besef leven voelen we ons onbeschermd, ongesteund en uit verbinding; We zijn als pinda’s zonder schil.

Wil je reageren op deze column? Mail dan naar Jikke Verhulst.