Column: Mantelzorg


17 december 2011

Nee, tafeltje-dekje wil ze beslist niet. En warm eten tussen-de-middag in het bejaardenhuis ook niet. Zo erg is het nog niet met mij, zegt ze dan. Maar als ik haar bel, vraagt ze: wanneer kom je weer eens? Is ze alweer vergeten dat ik net de dag daarvoor ben langs geweest.

Het dringt op een avond tot me door: ik behoor nu tot dat enorme legioen van mensen, vooral vrouwen, die een stukje zorg op zich nemen voor een naaste. Ik ben mantelzorger. Merkwaardig dat ik dat woord zo op mijn tong proef. Het krijgt opeens een andere betekenis.

Maar ach, denk ik. Ik ben maar een lichte zorger. Een paar uurtjes per week en straks zelfs niet meer elke week. Ze knapt weer op en dan kan ze weer helemaal voor zichzelf zorgen.

Ik wil mijn bezoeken al weer terugschroeven. Ze gaat toch vooruit? Heeft zelfs een keer koekjes staan bakken, al roept ze wel dat dat eigenlijk helemaal niet ging. ‘Dat kan ik toch nog niet’, zegt ze ietwat verwijtend. Maar ze moest wel, een andere dochter had het deeg al klaargezet. En ook al kon ze het niet, ze heeft het wel gedaan.

Maar ze blijft zo moe. Dan zie je haar zitten, witjes weggetrokken in haar stoel, gehuld in een warme deken, haar voeten in een elektrisch warmhoudding, want ze heeft het koud. Later, aan de telefoon meldt ze dat zo weinig energie heeft. Daardoor duurt de dag zo lang als er niemand komt. Eten moet ze nog. Ze zal straks wel weer wat uit de vriezer halen.

’s Nachts lig ik te piekeren. (waarom gebeurt dat altijd ’s nachts?). Ik denk dat ik nog maar een poosje langer mantelzorger blijf.

Leonore Noorduyn

www.deschrijfster.nl

 

Lees hier de oude columns nog eens na.

Reacties zijn gesloten.